HuurrechtExpert

Beschermingsbewind, wie is bevoegd?

Welke rechtshandeling(en) mag een huurder met beschermingsbewind zelfstandig uitvoeren? Wanneer is hij nog handelingsbevoegd? Zo maar wat vragen van een woonmakelaar: iemand die voor het gehele verhuurproces verantwoordelijk is. Tsja … hoe zit dat?


Casus en vraag:
Welke rechtshandeling(en) mag een huurder met beschermingsbewind zelfstandig uitvoeren? Wanneer is hij nog handelingsbevoegd? Een huurder, die onder beschermingsbewind stond, leverde ”zijn” woning zó gebrekkig op dat er een schade van € 5.000 resteerde. Vervolgens stelde de bewindvoerder van huurder doodgemoedereerd dat de verhuurder haar had moeten betrekken bij de keuzes die huurder maakte bij zijn oplevering. Dan had zij, bewindvoerder, de schade kunnen beperken! De huurder koos echter bewust voor zijn ‘oplossing’. Hij onderschreef dat hij aansprakelijk was voor de schade. Wat nu?

Antwoord: 
De kantonrechter kan één of meer goederen van een meerderjarige onder beschermingsbewind stellen, met aanstelling van een bewindvoerder. Dat zegt titel 19 van Boek 1 BW (de artikelen 431 t/m 449). Het beheer van bepaalde of alle goederen wordt dan aan een ander opgedragen omdat de rechthebbende zelf daartoe niet (meer) behoorlijk in staat is. Ook verkwisting en/of het hebben van problematische schulden zijn gronden om beschermingsbewind op te leggen. Bewind ontneemt aan de rechthebbende de bevoegdheid om zelfstandig over de onder beheer gestelde goederen te beschikken en beperkt zijn bevoegdheid om daarop verhaalbare schulden te maken. De rechthebbende kan zo’n bewind niet ‘zo maar’ herroepen. Zowel het opleggen als het beëindigen ervan vergen een rechterlijk besluit.

In het recente verleden is er heel wat afgetobt over de bevoegdheden van een onder beschermingsbewind gestelde huurder. De jurisprudentie was schaamteloos verdeeld! Medio 2013 gaf die situatie een kantonrechter te Arnhem aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad (art. 392-394 Rv). Dat kan wanneer er een zaakoverstijgend belang is en beantwoording van rechtsvragen bijdraagt aan herstel van rechtszekerheid. Welnu, dat belang was er, zo bleek nu juist uit de verdeelde rechtspraak. En de kans op die verdeeldheid was niet gering, gegeven het feit dat alleen al in 2012 ruim 41.000 verzoeken rond onderbewindstelling aan kantonrechters zijn voorgelegd. De Hoge Raad grossierde in klip en klare antwoorden in het voorjaar van 2014.

Sindsdien weten we dat de bewindvoerder bij oplevering van het gehuurde de aangewezen persoon is om te beslissen, althans wanneer ook het huurrecht onder bewind is gesteld. Hiermee is deze vraag beantwoord.

Vorderingen
In die Arnhemse zaak vorderde de verhuurder ontbinding van de huur en ontruiming van het gehuurde, na een stevig opgelopen huurschuld en forse waterschade. Verhuurder eiste eveneens wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, dagvaardingskosten, griffierecht en salaris van zijn gemachtigde. Huurder werd op 3 december 2012 bij verstek veroordeeld. Daartegen tekende de bewindvoerder verzet aan. Hij vorderde dat alle vorderingen van de verhuurder alsnog zouden worden afgewezen. Sterker nog: verhuurder zou de schade die huurder had geleden moeten vergoeden én hem weer het ongestoorde woongenot van de door hem gehuurde woning moeten verschaffen, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag met een maximum van € 25.000 en met veroordeling van verhuurder in de proceskosten! Bovendien stelde de bewindvoerder in de Arnhemse zaak dat de verhuurder wist of had kunnen weten dat huurder op 25 oktober 2011 onder bewind was gesteld. Bewind dat in casu betrekking had op alle goederen. Verhuurder had de bewindvoerder mee moeten dagvaarden. Nu ontdekte de bewindvoerder pas wat er speelde tijdens de ontruiming van het gehuurde – een ontruiming die de bewindvoerder aanmerkte als een onrechtmatige daad van verhuurder.

Bewindvoerder is alom bevoegd én procespartij
De Hoge Raad heeft de Arnhemse zaak aangegrepen om een duidelijk en nooit meer te vergeten college te geven. Hij stelde voorop dat tijdens het bewind het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toekomen aan de onderbewindgestelde (de ‘rechthebbende’) maar aan de bewindvoerder (art. 1:438 lid 1 BW). “Tijdens het bewind kan de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen beschikken”, aldus artikel 1:438 lid 2 BW. De rechthebbende is ten aanzien van de onder bewind gestelde goederen beheersonbevoegd en beperkt beschikkingsbevoegd. Bovendien vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW). De rechthebbende mist in zoverre procesbevoegdheid. De bewindvoerder treedt in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed op als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. Dat geldt eveneens wanneer een rechtsmiddel (zoals verzet of hoger beroep) wordt aangewend.
Wat nu wanneer je als verhuurder niet wist, of had moeten weten, dat een huurder onder bewind is gesteld? De tweede volzin van artikel 1:443 lid 1 BW zegt daarover: “Regels die de bevoegdheid van een bewindvoerder betreffen en feiten die voor een oordeel omtrent zijn bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan de wederpartij worden tegengeworpen, indien deze daarmee niet bekend was of had behoren te zijn.” Dan kan een verhuurder zo’n procedure tegen de rechthebbende zelf aanhangig maken. Uit artikel 1:440 lid 1 BW vloeit zelfs voort dat een eventuele veroordeling van de rechthebbende onder die omstandigheden op de onder bewind gestelde goederen kan worden verhaald. Maar zo lang zo’n uitspraak nog niet onherroepelijk is en zodra de bewindvoerder zichzelf met de procedure inlaat kan hij zijn positie als formele procespartij opeisen.

Klip en klare antwoorden
Na deze inleidende ‘warming up’ van de Hoge Raad volgden meer klip en klare antwoorden: 

  • De uit een huurovereenkomst voortvloeiende rechten zijn goederen in de zin van artikel 1:431 lid 1 en 1:434 BW. Want goederen zijn alle zaken en vermogensrechten (art. 3:1 BW). En hoewel het huurrecht geen overdraagbaar recht is, vormt het een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW omdat het de huurder materieel voordeel verschaft.
  • De bewindvoerder die in rechte verschijnt in een procedure waarin de rechthebbende zelf is gedagvaard, heeft als formele procespartij te gelden. De bewindvoerder is bevoegd in verzet te komen tegen een bij verstek gewezen vonnis in een geding waarin de rechthebbende zelf partij was, indien en voor zover in dit vonnis is geoordeeld over een onder bewind gesteld goed.
  • In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient altijd de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken. Dat geldt eveneens wanneer een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een uitspraak waarin de rechthebbende partij was doch de bewindvoerder niet optrad.
  • Is een bewindvoerder wegens verschoonbare onwetendheid niet in rechte betrokken, dan kan hij te allen tijde de gerechtelijke arena betreden om zijn rol te spelen. Onwetendheid kan gemakkelijk voorkomen, omdat de status van goederen vaker niet dan wel via registers raadpleegbaar is. Een huurrecht is niet raadpleegbaar in een register en er is geen onderzoeksplicht indien een woningzoekende of huurder geen enkele aanleiding gaf op grond waarvan verhuurder had moeten veronderstellen dat er iets aan de hand is.
  • Weet een verhuurder wel van het bewind en dagvaardt hij desondanks de huurder, dan is zijn eis in beginsel niet-ontvankelijk. De bewindvoerder kan zichzelf te allen tijde stellen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist: een aangetekende brief aan de wederpartij en aan de rechter volstaat.
  • Gelet op het bepaalde in artikel 1:438 lid 2 BW kan de rechthebbende wel met machtiging van de kantonrechter een aanhangige procedure zelfstandig voortzetten.
  • Bemerkt de verhuurder in de loop van een geding het bewind, dan kan hij de bewindvoerder oproepen bij aangetekende brief. Merkt de rechter het bewind op, dan dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen.
  • Een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende vóór de instelling van het bewind gesloten huurovereenkomst, en een vordering tot ontruiming van het gehuurde, dient te worden ingesteld tegen de bewindvoerder, indien de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen.

Vaste praktijk: rechtszekerheid hersteld
In de praktijk hebben deze wijsheden inmiddels hun weg gevonden. Getuige, bijvoorbeeld, deze Rotterdamse casus: Na het aantreffen van een hennepkwekerij in ‘zijn’ woning gaf verhuurder de huurder, die toen onder bewind stond, gelegenheid de huur op te zeggen. Met aankondiging dat ontbinding van de huur en ontruiming van het gehuurde zou worden gevorderd, wanneer niet vrijwillig zou worden opgezegd. Tegen de wil van de huurder zegt de bewindvoerder de huur op om verdere kosten te voorkomen. De (gewezen) huurder weigerde de woning te verlaten. De kantonrechter oordeelt dat de opzegging rechtsgeldig plaatsvond. De vordering van verhuurder tot ontruiming van de woning, wegens verblijf zonder recht of titel, wordt door de kantonrechter toegewezen, overigens op een moment dat het bewind al was opgeheven.

Tenslotte een Roermonds geval: Huurwoning is door burgemeester gesloten vanwege daarin aangetroffen hennepkwekerij en verboden handel. Verhuurder heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden op grond van artikel 7:231 lid 2 BW en vordert in kort geding ontruiming. Het vermogen van de huurder staat onder beschermingsbewind, reden waarom de bewindvoerder wordt gedagvaard. Verhuurder dagvaardde, naast de bewindvoerder ook de huurder, voor het geval het beschermingsbewind tussentijds zou worden opgeheven. Ter zitting blijkt dat het bewind nog voortduurt. Gelet daarop is de veroordeling tot ontruiming uitgesproken tegen de bewindvoerder voor zover het bewind nog voortduurt en tegen de huurder voor zover het bewind inmiddels is opgeheven. Dat vonnis werd in hoger beroep bevestigd.